12 juni 2020

Nachttrein naar Lissabon – Pascal Mercier ★★

Door Tabitha

Lees deze en andere boekrecensies op mijn Goodreads pagina

Waardering: 2.5 uit 5.

Al langere tijd was ik erg benieuwd naar deze roman van Pascal Mercier, pseunoniem van de Zwitserse hoogleraar filosofie Peter Bieri.
Helaas zijn mijn verwachtingen niet uitgekomen en heb ik me door dit boek heen geworsteld.
Ik begrijp wel de aantrekkingskracht van het boek, de existentiële thema’s die besproken worden, maar in deze vorm kon het mijn aandacht niet vasthouden.
Het verhaal sleepte voort, met de saaie docent Raimund Gregorius als hoofdpersoon.
Dat deze man, die al tientallen jaren docent klassieke talen aan het gymnasium in Bern, van de een op de andere dag vertrekt en de nachttrein naar Lissabon neemt, is niet echt geloofwaardig.
Hij wil meer te weten komen over het leven van Amadeu de Prado en weet in Lissabon moeiteloos allerlei mensen op te sporen die hem gekend hebben en duikt zo in het leven van deze arts, die ook een soort wonderkind was.

De trein vormt een metafoor voor de vrijheid van onze wil. We hebben volgens Mercier/Bieri maar beperkte speelruimte om de koers van ons leven zelf te bepalen.

Gregorius had het gevoel alsof de trein die nu het station uit reed ook een stuk van hemzelf achter zich liet. (p. 38)

Nachttrein naar Lissabon, Pascal Mercier, p. 38

Ik las in een recensie van het boek:
“Er is een spoor waarover we in een bepaalde richting rijden. Soms zijn er haltes, wissels en vertragingen, maar de reis ligt in grote lijnen vast. Soms rijst de vraag waarom we eigenlijk op reis zijn, en dan moeten we kijken wat ons tot hier heeft gebracht. Vrijheid in de ogen van Bieri is weten waarom je de dingen doet die je doet, vanuit reflectie en terugblikken. Van daaruit moet je zorgvuldig je eigen reis plannen en je eigen weg kiezen. We kunnen de dingen uit het verleden niet terugdraaien maar we kunnen wel proberen het te begrijpen en opnemen in een verhaal over onszelf. Op die manier kan de toekomst aan het verleden alsnog zin geven.”
Verschillende thema’s komen naar voren in het boek zoals de moeilijkheid om tot zelfkennis te komen en het belang van genuanceerd taalgebruik.

Soms greep het boek me even met een interessante filosofische gedachte of mooie zin, maar verder heeft het geen blijvende indruk achter gelaten.
Wellicht dat ik me nog eens aan de film waag.

Wat mooie verzamelde passages:

“Hij hield van Latijnse zinnen omdat ze de rust in zich borgen van alles wat verleden tijd was geworden. Omdat die zinnen je niet dwongen er iets over te zeggen. Omdat ze taal waren die aan al het gepraat voorbij was. En omdat ze in hun onveranderbaarheid mooi waren.” (p. 22)

“Gregorius had het gevoel alsof de trein die nu het station uit reed ook een stuk van hemzelf achter zich liet.” (p. 38)

“Het is een vergissing te denken dat in een leven de beslissende momenten waarop de vertrouwde richting voor altijd verandert, vol luide en felle dramatiek moet zijn en gepaard gaat met hevige gemoedsaandoeningen. Dat is een kitscherig sprookje waarmee dronken journalisten, op aandacht beluste filmregisseurs en schrijvers in wier hoofd het eruitziet als in een roddelblaadje, de wereld hebben opgescheept. De waarheid is, dat de dramatiek van een het hele leven bepalende ervaring er vaak een is van een ongelooflijk milde soort. Die heeft zo weinig gemeen met een knal, een steekvlam en een vulkaanuitbarsting, dat de ervaring meestal niet wordt geregistreerd op het moment dat zij wordt ondergaan. Als een ervaring haar revolutionaire gevolgen ontplooit en ertoe aanzet dat een leven in een geheel nieuw licht wordt gedompeld en een totaal nieuwe melodie krijgt, dan doet ze dat geruisloos, en in die schitterende geruisloosheid ligt haar bijzondere adel.” (p. 44)

“Ik wil terug naar die paar minuten op het schoolplein waarin het verleden van ons af was gevallen zonder dat de toekomst al was begonnen. De tijd stond stil en hield de adem in op een manier zoals ze dat later nooit meer heeft gedaan.” (p. 60)

“Je had mensen die lazen en je had de anderen. Of iemand een lezer was of een niet-lezer – dat merkte je snel. Er bestond tussen mensen geen groter verschil dan dat. Mensen waren verbaasd als hij dat beweerde en sommigen schudden hun hoofd over zo’n zonderlinge bewering. Maar het wás zo. Gregorius wist het. Hij wíst het.” (p. 79)

“De verhalen die de anderen over je vertellen en de verhalen die je over jezelf vertelt: welke komen in de buurt van de waarheid? Zijn dat vanzelfsprekend je eigen verhalen? Is iemand voor zichzelf een autoriteit? Maar dat is niet de werkelijke vraag die me bezighoudt. De werkelijke vraag luidt: is er bij dergelijke verhalen eigenlijk wel een verschil tussen waar en onwaar? Bij verhalen over het uiterlijk wel. Maar als we ons opmaken iemands innerlijk te begrijpen? Is dat een reis waar ooit een einde aan komt? Is de ziel een domein van feitelijkheden? Of zijn de vermeende feitelijkheden niet meer dan de bedrieglijke schaduwen van onze verhalen?” (p. 138)

“Ik wil niet in een wereld zonder kathedralen leven. Ik heb hun schoonheid en verhevenheid nodig. Ik heb ze nodig als verzet tegen de platvloersheid van de wereld. Ik wil opkijken naar de stralende kerkramen en me laten verblinden door hun bovenaardse kleuren. Ik heb hun glans nodig. Die heb ik nodig als verzet tegen de smerige eenheidskleur van uniformen. Ik wil mijzelf hullen in de bittere kou die in de kerken hangt. Ik heb hun gebiedend zwijgen nodig. Ik heb het nodig als verzet tegen het gebral van de kazernes en het stompzinnige gezwets van de meelopers. Ik wil het bruisende geluid van het orgel horen, die stortvloed van bovenaardse klanken. Ik heb die klanken nodig als verzet tegen de schelle lachwekkendheid van marsmuziek. Ik houd van biddende mensen. Ik heb hun aanblik nodig. Ik heb die nodig als verzet tegen het verraderlijke gif van oppervlakkigheid en stompzinnigheid. Ik wil de machtige woorden van de bijbel lezen. Ik heb de magische kracht van hun poëzie nodig. Ik heb ze nodig als verzet tegen de verwaarlozing van de taal en de dictatuur van de leuzen. Een wereld zonder die dingen zou een wereld zijn waarin ik niet meer wil leven.” (p. 163)

“Hoe kunnen we gelukkig zijn zonder nieuwsgierigheid, zonder vragen, twijfel en argument? Zonder plezier in het denken?” (p. 165)

Lees ook andere boekrecensies: